Posts tonen met het label De Zee Was Die Dag Ver. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Zee Was Die Dag Ver. Alle posts tonen

zondag

Zoveel

Geen dag. Ik kan geen dag zonder jou.
Ik moet je ruiken, jouw geur prikkelend in mijn neus .
Ik moet je proeven,  je onmiskenbare zilte smaak van vrijheid
Ik moet je voelen en ik moet je zien: Zout, wit uitgeslagen op mijn huid.
Ik moet je horen, jouw eb en vloed is het ritme van het leven. Als levensadem... in en uit.

Geen dag.
Geen dag zonder zee.
Je bent er altijd. Letterlijk ben ik omringd door jouw aanwezigheid.
Dat voelt fijn. Vertrouwd.  Dat voelt veilig.

Je bent er.
Je bent er niet alleen voor mij.
Je bent er voor iedereen.
Maar niet iedereen houdt van jou. Sommigen zijn bang voor jou. Jouw kracht kan namelijk ook verpletterend zijn.
Maar ik heb je lief.

En met mij meer.
Hoever kunnen we je doorgronden, hoever en hoeveel wil jij je laten kennen?
Je bent onpeilbaar. Onpeilbaar diep. Onpeilbaar sterk. En onpeilbaar kwetsbaar.

Sommigen gebruiken jou, misbruiken jou. Gaan schaamteloos met je om. Verguizen jou. Dumpen hun afval als een giftig gal in jou.  Onverschillig voor al het goede wat je in je draagt: een hele wereld aan leven. Van het kleinste plankton tot de reusachtige blauwe vinvis.

Maar ik heb je lief.
En met mij meer. Je wordt bezongen in zoveel liederen.
We willen je leren kennen, we omarmen je . En jij.... jij laat ons vrij.
We mogen met je dansen, op de muziek van de golven.... 't  lied van de eeuwigheid.

Iemand bedacht een naam voor jou. En met mij meer.
Je hebt zoveel namen.. zee, oceaan, captain's paradise, de baren, het ruime sop en het zilte nat.

Maar vandaag vond ik een heel mooie naam... deze past prachtig bij je!





woensdag

Lopen


Mijn logee's waren met de ochtendboot vertrokken, de wasmachine met 't beddegoed snorde allengs vrolijk en de koffiepot pruttelde gezellig.  Ondertussen zat ik me te bedenken waar we nu eens zouden gaan lopen. Het PaulusdeBoskabouter-bos hebben we al zo vaak gehad dat dat geen optie was. Het strand en de zee staan ook hoog op het wensenlijstje van sproetneus en Co maar na afgelopen herfststorm ben ik wel even genoeg gezandstraald. Een middenweg dus. Het werden de bunkers. Gelegen in de duinen , tussen bos en zee, liggen ze diep verscholen.  Een plek vol geschiedenis waar ik lang niet alles van weet ( en misschien ook maar beter van niet, de tragiek van hun bestaan zegt al zoveel ) en die door de jaren heen is verkleurd. Waar soldaten uit schietgaten de vijand bestreed. Waar  mensen in loopgraven voor het leven hebben gevochten en het er ook hebben verloren.
Doffe stenen en betonplaten waar tussen driftig helmgras zich triomfantelijk een weg heeft weten te banen. 'n Teken dat de natuur sterker is dan enig maaksel van mensenhanden.
Felgekleurde grafitti op schrijnende grijze muren en grauwe plafonds.  Een eigen gevormd spoor van nalatenschap door jongeren,  die een oorlog alleen kennen uit verhalen. Of films.




Lege wijnflessen,  verroeste cola-blikjes en een paar gerafelde badlakens liggen als een troosteloos aandenken aan een vergane zomer. Wat heb ik hier te zoeken?
Op de achtergrond ruist de zee haar eeuwenoude lied. Beter is het daar, aan de vloedlijn.
Waar ook de vergankelijkheid te vinden is in dode krabben en lege schelpen. Maar toch voelt dat anders. Natuurlijker.
Die dood heeft een functie: voedselbron zijn voor een ander. Dat kan ik in geen enkele oorlog terugvinden.
Ik vraag me af waar we als mens het pad zijn misgelopen.

zondag

Het Vervolg van Jack of Heartzz.....

Ook Jack schreef een vervolg op het doorschrijfverhaal
Hij schrijft wel vaker korte verhalen  ( zoals zijn  Eva en Rutger verhalen ) die zeer de moeite waard zijn...
Maar hier dus de vierde inzending.... ga er maar weer lekker voor zitten.



Enige tijd staarde Walther naar vage contouren, maar zodra hij besefte dat het de jeneverfles was die Regina hem voorhield, knikte hij. Hij ging rechter zitten terwijl zijn borrelglaasje tot de rand gevuld werd.
“Is het al over met de natte sneeuw?” bromde hij, met een blik op de studenten aan het tafeltje bij het raam, de enige andere gasten in café de Gouden Leeuw. Door het raam zag Walther de naam Gouden Leeuw in sierlijke kalligrafische letters en in spiegelbeeld, en hij zag dat er nog steeds waterige sneeuwvlokken vielen.
“Wat drinken ze vandaag nou weer voor modedrankje?” vroeg Walther. “Scooters? Breezers? Taxi’s?”
“Taxi is voor kinderen,” zei Regina misprijzend. “En bovendien enkelvoud.” Ze presenteerde Walther haar pakje Marlboro, maar die schudde zijn hoofd. “Ik probeer het maar weer eens,” zei hij ter verklaring, maar zonder enig enthousiasme.
“Vanwege die vrouw die je ontmoet hebt?” informeerde Regina.
“Ik heb haar niet ontmoet, we hebben gecorrespondeerd,” sprak Walther met enig dedain. “Het is trouwens uit,” voegde hij eraan toe, waarna hij zijn glaasje nam, twijfelde, en ervoor koos om te nippen in plaats van het in één teug te legen. Regina moest natuurlijk niet gaan denken dat die meid hem iets gedaan had.
“Uit? Hoezo? Je was anders best enthousiast over het contact? Volgens mij zei je dat ze een leuke dame was, en ook nog niveau had…”
“Ik heb gezegd dat ze niet gespeend leek van enige vorm van niveau,” corrigeerde Walther hooghartig. “Misschien moet je toch eens beter luisteren, Regina.” zei hij met stemverheffing, maar hij zag in haar ogen dat hij op de toer dreigde te raken waarvan Regina had gezegd “Nog één zo’n uitbarsting en je gaat er gewoon uit.” Of liever gezegd, ze had daar een keer of honderd mee gedreigd, maar een maand geleden had ze het plotsklaps gewoon gedaan. Ze was naar de kapstok gelopen, had zijn jas van de kapstok gepakt en ze was hem komen brengen. Op zijn tegenwerping of ze wel had gezien wat voor weer het was, had ze geantwoord: “Jazeker Walther, dat heb ik gezien. Maar jij gaat nu naar huis en je komt hier pas weer terug als je bedaard bent en als je je normaal weet te gedragen.”
“Met dat niveau bleek het dus toch tegen te vallen,” zei Walther. “Ze vond mijn kroontjespen een onhandig ding, terwijl dat nota bene een cadeautje was. En ze bleef maar zeuren over mailen en chatten en allerlei andere nieuwerwetsigheden. Dat dit toch veel makkelijker en handiger zou zijn. Maar daar gaat het dus helemaal niet om, om makkelijk en handig. Waar het om gaat, is niveau, gespeld N-I-V-E-A-U. Hebt u dat?”
“Walther, je begint weer door te draaien…” zei Regina. Toen hij niet reageerde zei ze “Sssssh,” en ze hief haar hand op. Dit bleek te helpen. Aan Walthers alsmaar luider woordenvloed kwam een abrupt einde. “Ach, Regina,” zei hij. Hij pakte zijn jeneverglas. Hij bekeek het vocht wat erin zat. Hij draaide het glas rond, zodat het vocht een minibranding maakte tegen de rand van het glas. “Wat had ik ook op Terschelling gemoeten,” sprak hij bitter en trok bij het legen van zijn glas een dienovereenkomstig gezicht.

“Zou hij weten hoe vaak ik ervan gedroomd hem te komen instoppen?” dacht Regina,  terwijl ze als reactie op zijn mismoedige handgebaar opstond om de fles te halen. Hij was nog steeds knap, ondanks dat hij al een tijdlang te veel dronk. Je moest geduld met hem hebben en de nodige  wijdlopige betogen doorstaan, maar op enig moment week de kilte uit zijn ogen. Soms werd ze dan opeens aangekeken door een lief joch. Regina probeerde zich te herinneren wanneer ook al weer de laatste keer was dat ze dit had zien gebeuren.
“Heel erg teder zou ik voor hem zijn,” dacht ze. “Totdat al die misplaatste agressie er uit gestreeld en geknuffeld was…”
Haar ogen vroegen het glas en kregen het prompt.
“Ik wed dat ik daarna alles met je zou kunnen doen,” dacht ze, en ze vulde het glas tot de rand. Alleen haar glimlach verried iets van wat ze dacht. Haar glimlach viel Walther op. Glazig staarde hij naar haar gezicht, totdat een nieuw glaasje voor hem beschikbaar was. Zijn aandacht focuste zich op het vocht wat daarin zat.

“Weet je wat de druppel was?” vroeg Walther. Regina proefde de ondertoon van dreiging in Walthers stem. Ze zuchtte. “Nee Walther, dat weet ik niet,” zei ze.
“Hartenwens!” zei Walther zo luid dat de studenten aan het tafeltje bij het raam opkeken.
“Het is toch zonneklaar, me dunkt, jawel dames en heren, zon – nuuh – klaar!”, Walther zoog naar adem, “Dat een wens uit één hart afkomstig is. Het is volslagen onzin om te denken dat een wens vanuit meerdere harten zou kunnen ontspringen. En dus dient de spelling har – tuuuh – wens te zijn en niet hartenwens!”
“Ja maar Walther zo is de regel allang niet meer,” probeerde Regina nog, “De regel is destijds veranderd.” Maar Walther was niet meer te houden. De hele riedel passeerde nu luidkeels de revue. Klok-kuuh-toren, per-uh-boom, bess-uh-sap, want heus, van één bes kon je echt wel sap maken hoor. Je hebt dan weliswaar niet zo veel sap en achteraf nog steeds dorst, maar dat is het punt natuurlijk niet.

De studenten zaten te grinniken en giechelen, totdat Walther opstond, en wees naar de groen met witte sjalen die de jongens over hun stoel hadden hangen. “Als FC Groningen geen deuk in een pakje boter schopt, dan ik ga ik toch niet zeggen dat ik een klo-tunnnn-wedstrijd heb gezien. Klo-tunnnn-wedstrijd, wat is dat voor waanzin?  Het was een klo-tuuuuuh-wedstrijd, en niks anders dan dat….”
De meisjes bekeken hem inmiddels angstig en de jongens beducht. Ging hij hen nu aanvallen, deze meneer die daar zo raar kaarsrecht stond en naar hen schreeuwde? Het was de hand van Regina op Walthers schouders die hem bedaarde. Ze liet hem zijn jas zien.
“Je weet het, Walther,” zei ze zacht. Vervolgens hielp ze hem in zijn jas zonder dat hij daartegen verzet bood.
“Heb je wel gezien wat voor weer het is?” zei hij nog wel, maar zijn stem had alle kracht verloren.